Wilde dieren in de stad: overlast of plezier? Een kwestie van perspectief

‘Hé! Zijn Latijnse naam is Martes foina! Misschien moeten we hem Fonske noemen!’ riep ik,  enthousiast wijzend naar de Wikipedia-pagina op mijn gsm. De blik van mijn man sprak boekdelen. ‘Tuurlijk! Dat beest vreet ons ganse dak stuk én de autokabels door, maar laten we hem maar Fonske noemen’, gromde manlief me terug. Met mijn meest ontwapenende blik toonde ik hem een foto van een pluizige steenmarter. ‘Zie, hoe schattig!’ zei ik met mijn zeemzoetste stem, vastberaden hem te vermurwen. Glimlachend keek hij me aan. ‘Je meent het, hé?’ zuchtte hij. ‘Allez, Fonske it is…’.

De discussie deed zich jaren geleden voor, toen de leegstaande woning van de buren tegen de vlakte ging. De inwonende steenmarter werd plotsklaps dakloos en vond al gauw een nieuwe woonst onder onze dakpannen, tot groot jolijt van manlief. Hele nachten lagen we wakker van het geluid van onderdakfolie die in stukken gereten werd. ‘s Morgens vonden we brokken isolatieschuim op ons terras.

Maandenlang ging manlief de strijd aan met luide hardrock op onze zolder en ultrasone toestellen waarvan we zelf knettergek werden. Uiteindelijk is ons Fonske vanzelf verkast en horen we hem enkel 's nachts nog eens krijsen in een tuin wat verderop. 

Photo: Shutterstock

Tot zover de wilde ontmoetingen? Dat dacht je maar. Vorig jaar ging een vos aan de haal met onze schoenen. De linkse van één paar, de rechtse van een ander. Handig was anders. Het duurde even voor ik een vos aan de diefstal kon linken, maar eens hij op heterdaad betrapt werd op de wildcam van de buren (met een teenslipper tussen z'n tanden), was er geen ontkennen meer aan.

Gecharmeerd was ik. Verrast ook. En kei-enthousiast. Ik doopte hem terstond Reynaert. Toen ik de buurt via HOPLR waarschuwde hun schoenen niet buiten te laten staan ‘s nachts, kreeg ik echter - naast heel wat toffe reacties - ook verontwaardiging, angst en boosheid. ‘Schoenen binnen? En de kippen best ook! Wéér een slachtoffer vorige week!’, antwoordde iemand op mijn bericht. 

Vossen, marters, ratten en duiven. Ze hebben allen wat marketing issues door zogenaamd probleemgedrag. Nochtans is veel van dat gedrag aan ons, mensen, te wijten. Hoeveel Vlamingen gooien stiekem nog steeds oud brood naar eenden en duiven? Hoeveel onafgesloten vuilnisbakken en rondslingerend afval telt een stad? Hoeveel filmpjes circuleren er op sociale media van mensen die vossen voeren? 

De Canadese politieke wetenschappers Donaldson en Kymlicka menen dat de mens zelf verantwoordelijk is voor het vermijden van overlast omdat wilde stadsdieren nu eenmaal niet gedomesticeerd zijn. Hoe kun je dan verwachten dat ze zich aan onze regeltjes houden? 

Photo: Holowaychuk (Unsplash)

En regeltjes zijn er in overvloed. Of een dier geliefd is of als pestsoort wordt beschouwd, hangt veelal af van onze menselijke perceptie. Een vogel is schattig in de tuin, maar o wee als hij je voordeur binnenvliegt. Een kool-, pimpel- of staartmees aan de voedertafel veroorzaakt enthousiaste gilletjes, kauwen en duiven verjagen we liever. We houden van dieren, maar onze liefde is voorwaardelijk: zolang ze zich gedragen en niet op ons terrein komen. Zolang wij de regels bepalen en zij zich eraan houden.

In ons westers wereldbeeld heerst een onnatuurlijke dichotomie tussen mens en natuur. Hoewel wij als mens inherent onderdeel zijn van de natuur, creëerden we plots omheinde tuinen om wilde dieren buiten te houden en afgesloten natuurreservaten om de mens te weren. Ergens onderweg zijn we vergeten dat ook wij deel uitmaken van het landschap en dat ook wilde dieren rechten hebben.

Bovendien zijn dieren nu eenmaal onvermijdelijk aanwezig, ook in de stad. We kunnen er daarom maar beter mee leren omgaan. Door ons aan te passen met een voswerende omheining rond het kippenhok bijvoorbeeld. En door wat toleranter te zijn, misschien.

Wie ooit de podcast-reeks over rewilding beluisterde die Petra Vijncke (INBO) voor EOS maakte, herinnert zich ongetwijfeld de Rocky Mountains-anekdote: in een Canadees dorp sliep de hele herfst plots een zwarte beer op het dorpsplein. Wat hier in Vlaanderen zou leiden tot een met jachtgeweren gewapende mars, zorgde er in de Rocky Mountains voor dat de inwoners gewoon een tijdlang het centrum vermeden. Kwestie van perspectief.

Krijgen dieren dan geen enkele kans in Vlaanderen? Tuurlijk wel. Gent en Mechelen hebben hun eigen stadsecoloog. Methodes als Animal Aided Design en natuurinclusief ontwerp maken hun opmars.  Echter, vaak zijn die ontwerpen soortspecifiek en focussen we daarbij vooral op gewenste soorten. Weinig stadsontwerpers zullen bewust een muskusrat-vriendelijke habitat ontwerpen, terwijl vogelkasten en bloemenweides voor bijen en vlinders welig tieren.

Photo: Bellando Mitjans (Unsplash)

Bovendien leiden dat soort maatregelen nergens toe als ze niet gedragen worden door de bevolking. We hebben daarom ook een shift in mindset nodig. Een besef dat wij één zijn met de natuur en dat ook wilde dieren een plekje verdienen in onze stad. 

Aanvaarding begint vaak bij kennis. Nog veel meer moeten we daarom als gemeente inzetten op mensen informeren en onderwijzen. Aanvaarding vraagt ook emotionele connectie. Dat vergt het samenwerken van gemeenten met niet alleen stadsontwerpers en ecologen, maar ook met psychologen en sociologen.

In een maatschappij waarbij we steeds vaker focussen op negatieve berichtgeving, moeten we bovendien misschien eens wat vaker de leuke en grappige berichten in de verf durven zetten in het lokale stadsmagazine of op de gemeentelijke sociale media. Laat ons toffe verhalen verzamelen over die vele Fonskes en Reynaerts onder ons. Laat ons elkaar verbazen en verwonderen en verblijden.

En wie weet, misschien ligt er dan binnenkort wel een vosje te ronken op de markt van Oudenaarde en lopen we er met zijn allen voorzichtigjes omheen.

Anke de Sagher

Deze column over wilde dieren in de stad is verschenen in het eerste nummer van 2025  van Groencontact, het vakblad van de Vereniging voor Openbaar Groen (VVOG).

Reacties

Populaire posts